De Grote Balancine

De kleine gezette meneer Romano dwingt respect af. De meeste dorpsbewoners houden hem het liefst op afstand. Hij is een ietwat stijve formele man die geen tijd heeft voor een praatje. Hooguit een voorzichtig knikje, dat is alles. Achttien jaar lang leeft hij met zijn vrouw Anna een voorspelbaar leven.
Precies om acht uur in de ochtend sluit hij de voordeur. Hij bestudeert de lucht om te beoordelen of deze overeenkomt met het weerbericht. Vervolgens balanceert hij op zijn rechtervoet en poetst zijn linkerschoen langs de broekspijp. Hetzelfde doet hij met de andere schoen, staande op zijn linkervoet. Pas daarna komen zijn glimmende zwarte schoenen onder een grijs gestreepte pantalon in beweging. Zijn onberispelijke regenjas draagt hij, in overeenstemming met het weer, over zijn arm of over zijn zwarte colbert. Nieuwe bewoners in het dorp vermoeden dat hij een notaris is, of een huisarts. Er was zelfs iemand die dacht dat hij een doodgraver was.
Statig loopt hij zijn vaste route naar het station. Zodra de trein nadert kijkt hij op zijn horloge, als het goed is, is het zestien minuten over acht. Hij stapt in de eerste klas om naar de grote stad te vertrekken. Zesendertig jaar lang buigt hij zich daar over de cijfers van mengvoederbedrijf De Goudhalm.
Dan komt volledig onverwacht de dag waarop het lijkt alsof de wereld zich binnenstebuiten heeft gekeerd.

Ineen gedoken loopt Anna met de armen over elkaar naar het station. Het is de derde keer die avond. Twee keer eerder heeft de stationschef haar duidelijk gemaakt dat er geen sprake is van een vertraging of een storing. Dit keer schudt hij ontkennend zijn hoofd. Vertwijfeld neemt Anna plaats op een bankje.
‘In zijn hele leven heeft hij niet een keer overgewerkt,’ mompelt Anna. ‘Ik begrijp er werkelijk niets van.’
‘Nooit overgewerkt? Zal hij met zijn collega’s misschien zijn gaan stappen,’ reageert de stationschef die haar een kop thee aanbiedt.
‘Nee, laat me niet lachen, daar ben ik niet voor in de stemming. Dat vindt hij weggegooid geld.’
‘Nou, in dat geval ben ik bang… ik wil u niet ongerust maken, maar… misschien heeft hij een andere vrouw in de stad ontmoet.’
Anna verslikt zich in de thee en schatert het uit. ‘Vrouwen vindt hij nog duurder dan collega’s. Nee, daar maak ik mij geen zorgen over.’
‘Ben je al bij de politie geweest?’
‘Ja, ze vonden het zeer verdacht, dat is niks voor hem, zeiden ze. Voorlopig kunnen ze niets doen. Ik moet over vierentwintig uur terugkomen.’ De stationschef neemt haar lege kopje aan. ‘Ze hebben gelijk, natuurlijk is dit niks voor Vinnie, dat begrijpt toch iedereen. Zeg nou zelf.’
De stationschef knikt betekenisvol en geeft de snikkende Anna zijn zakdoek.
‘Ga jij maar lekker naar huis, Anna. Morgen moet je er misschien om lachen, dan blijkt het allemaal mee te vallen.’

Thuis komen de muren op haar af. Ze heeft ondertussen alles al twee keer gestofzuigd en loopt met de wasmand naar buiten. De was die ze eerder heeft afgehaald hangt ze opnieuw aan de lijn. Haar hart klopt in haar keel en de wasknijpers vallen uit haar mond. In het licht van de straatlantaarns ziet ze iemand haar richting oplopen. Anna herkent zijn manier van lopen, toch is ze er niet zeker van. Hij lijkt meer op een schoorsteenveger dan op Vinnie, denkt ze. De man draagt een meterslange paal met zich mee en heeft een tros touw over zijn schouder. Snel knoopt ze haar gebloemde schort los en loopt in zijn richting.
‘Hallo, schat.’ Vinnie kust haar bovenop haar mond en loopt door. ‘O ja!’ Hij draait zich om en kijkt haar vriendelijk aan. ‘Ik heb afscheid van mijn werk genomen.’
Uit het lood geslagen en met twee vingers op de gekuste lippen, volgt ze Vinnie op afstand en ziet hem in de loods naast hun huis verdwijnen. Het licht gaat aan en de deur wordt vergrendeld.
‘Moet je niet eerst iets eten?’ roept Anna. De stoffige gordijntjes in de loods worden allemaal dichtgeschoven. Anna krijgt geen reactie. ‘Moet je niet eerst iets anders aantrekken?’
Er klinkt een ritmisch krassend geluid dat overgaat in de klanken van de circusfanfare van Fellini.
Maar… maar dat is de grammofoon die we voor ons trouwen hebben gekregen, denkt Anna, daar moest hij nooit iets van hebben. Ze kan het langzaam aan niet meer verwerken, de tranen lopen haar over het gezicht.
De hele nacht brandt het licht en klinkt de fanfare. Een enkele keer wordt het afgewisseld door enkele krachttermen en kreten van pijn.
Er hebben zich ondertussen vele nieuwsgierig dorpsgenoten op straat verzameld. Anna heeft zich in huis teruggetrokken en kijkt ongerust door een kier in het gordijn naar buiten. De schrik slaat haar om het hart als ze ziet hoe sommigen gebruik maken van haar tuin. Langs de loods staan vele bloempotten verhoogd op planken. Niemand wil iets missen. Ze zijn bovenop Anna’s planken gaan staan en proberen naar binnen te gluren. De planken buigen gevaarlijk door. Er wordt vreselijk gegild als er met veel glasgerinkel opeens een lange paal door het raam steekt. Ze zetten het allemaal op een lopen.

Volledig ontdaan zit Anna tussen haar vriendinnen op de bank. Onder het genot van een kopje koffie worden de laatste roddels besproken. Anna kan zich nog altijd niet ontspannen. Zorgelijk kijkt ze onbeweeglijk naar haar schoenen onder een diepe zucht. Tot overmaat van ramp wordt het nog onrustiger. Er stopt een politieauto voor de deur. Het blauwe zwaailicht lokt alle vriendinnen naar het raam.
De zwaarlijvige commissaris worstelt zich uit de auto en krijgt een megafoon in zijn handen gedrukt.
‘Achteruit!’ roept hij achteloos om zich heen. ‘Achteruit.’ Vervolgens draait hij zich richting de werkplaats. ‘Meneer Romano. Ik beveel u te stoppen met waar u mee bezig bent.’
Er valt een diepe stilte die wordt onderbroken door het krassen van een naald. Opnieuw klinkt de circusfanfare.
De commissaris wordt rood en zet weer de roeptoeter aan zijn mond. ‘Meneer Romano, heeft u mij gehoord?’
Ik heb dit nooit eerder meegemaakt, denkt de commissaris, wat moet ik doen? Ik ga eens overleggen met de burgemeester, misschien kan hij om ondersteuning vragen. Om het laatste restje autoriteit te laten gelden, zet hij de sirene aan en rijdt met hoge snelheid weg. Rond half twee ’s nachts lijkt het bezoek van de commissaris niet voor niets geweest. Het is muisstil.
Anna ligt verlaten in het bed. Ze hoort hoe de achterdeur voorzichtig in het slot valt, gevolgd door voetstappen op de trap. Ze kruipt diep onder de deken en doet alsof ze slaapt. Zacht beweegt ze op en neer als iemand naast haar op het bed gaat zitten en zijn kleren uittrekt. De wekker wordt ingesteld. Iemand komt naast haar liggen en kust haar op de wang. Ze slikt en knippert met haar ogen. Het zal Vinnie wel zijn, denkt ze, maar dan die andere.

Vroeg in de ochtend rond halfvier loopt de wekker af. Anna heeft nog geen oog dicht gedaan. Vinnie staat direct naast het bed. Hij duwt het raam open en haalt enkele keren diep adem gevolgd door enkele diepe kniebuigingen. Na het nemen van een douche trekt hij zijn beste kleren aan en nuttigt een boterham met aardbeienjam. Hij kijkt op zijn horloge. Al kwart over vijf? Ik moet opschieten, denkt Vinnie. Hij trekt zijn jas aan, haalt uit zijn binnenzak een dikke enveloppe en plaatst hem op het tafeltje in de gang. Voor het eerst verlaat hij het huis zonder zijn dagelijkse rituelen. Rond zijn nek hangt een dikke rol touw. Hij kan er maar net overheen kijken. Met een koffer in zijn ene hand en de lange stok in de andere hand loopt hij door de nog verlaten straten.
Anna weet niets te zeggen, ze is uiteindelijk in slaap gevallen. Rond zeven uur wordt er ongeduldig aangebeld. Ze draait zich nog eens om. Ze zit geschrokken recht overeind als er hard op de deur wordt gebonsd. Met haren als Medusa en donkere wallen onder haar ogen opent ze het bovenraam.
‘Kan het misschien wat minder?’ roept ze naar de krantenjongen. ‘Wat moet je?’
‘Er gebeuren de gekste dingen, mevrouw Romano. U moet zo snel mogelijk naar de Markt komen.’
‘Waarom? De laatste tijd ben ik gewend geraakt aan gekke dingen.’ Ze sluit het raam en kruipt weer onder de dekens. Opnieuw wordt er op de deur gebonsd.
‘Maar het is meneer Romano!’ roept de krantenjongen.
Anna staat onmiddellijk weer naast haar bed. Ze trekt een kamerjas aan en loopt op haar slippers naar de Markt. Het hele dorp lijkt te zijn uitgelopen en kijkt ingespannen naar de kerktoren. Iedereen is gelijk, ze dragen allemaal nog hun nachtkleding. Alleen Vinnie kijkt vanaf de kerktoren op iedereen neer. Voorzichtig takelt hij zijn draaitafel naar boven en installeert hem op de toren. Tussen het gemeentehuis en de toren is een strak koord gespannen.
Anna dringt zich met een angstig voorgevoel door de menigte naar voren. Er klinkt het ondertussen bekende krassende geluid gevolgd door de circusfanfare.
Vinnie klimt bovenop de torentrans. Alleen de muziek klinkt, verder is het muisstil. Het is een onwerkelijke situatie. Hij trekt zijn jas uit en rolt de mouwen op. Zittend op de rand van de torentrans trekt hij zijn schoenen en sokken uit waarna hij alles aan de voet van de toren laat vallen. Anna raapt alles op en vouwt het keurig netjes tot een stapeltje.
‘Vincenzo! Stop met die onzin, doe het niet. Ik smeek het je. Alsjeblieft!’
Vinnie staat ondertussen rechtovereind en staart naar het touw voor zich. Hij maakt een vinger nat en houdt deze omhoog, daarna steekt hij een hand in zijn zak om wat poeder te pakken en wrijft beide handen ermee in. Plotseling blijft de grammofoonplaat hangen. Vinnie klimt terug en zet de plaat opnieuw op.
De stok houdt hij overdwars voor zijn borst. Hij schuift zijn eerste voet naar voren op het touw en concentreert zich. Daarna volgt de andere voet.
‘Vincenzo, ik hou van je!’ roept Anna emotioneel. Het publiek maant haar tot stilte.
Onverstoord loopt Vinnie voorzichtig richting het stadhuis. Bij iedere stap veert het touw door. Het publiek wijkt uit voorzorg uiteen. Hij loopt over het touw alsof hij nooit iets anders heeft gedaan. Het duurt even voordat iedereen beseft wat er staat te gebeuren. Vanaf de toren klinkt een klik en er klinkt het geluid van raderen. Niemand heeft hier op gerekend, ook Vinnie Romano niet. Het is acht uur in de ochtend, het uurwerk begint aan de eerste van acht klokslagen.
De lange stok bewijst opeens zijn nut. Vinnie verliest bijna het evenwicht. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat hij het heeft hersteld. Het touw zwaait naar links en naar rechts. Vinnie buigt door zijn knieën en komt overeind. Het is alsof hij met de lange stok op de wind kan leunen. Eindelijk keert de rust weer terug. Het publiek reageert met een kreet van opluchting. Nog enkele meters en hij heeft de overzijde bereikt. Staande op het balkon van het stadhuis strekt hij triomfantelijk zijn armen en buigt. Er klinkt een groot applaus. ‘Bravo! Bravo!’ wordt er geroepen.
‘Mijn Vinnie,’ zegt Anna alsof ze opnieuw verliefd is geworden op haar echtgenoot. ‘Dat is nou mijn Vinnie.’

Iedereen wijkt voor hem uiteen als Vinnie terugloopt naar de toren om zijn platenspeler op te halen. Bovenop de toren aangekomen zoekt hij de omgeving af en kijkt op zijn horloge. Voorzichtig zakt de platenspeler aan een touw weer naar beneden. Dan ziet hij wat hij verwacht. Er nadert een lang konvooi kleurige vrachtwagens.
Weer beneden aangekomen loopt Vinnie naar Anna en omhelst haar gevolgd door drie kussen op haar wang. Ze kijkt hem vragend aan. De voorste auto van de stoet komt aangereden. Er steekt een gehandschoende hand uit het raam die voortdurend in de rubberen bal van een toeter knijpt. Zodra de auto in de remmen gaat komen er grote witte wolken onder vandaan en er vallen bij het stoppen diverse onderdelen vanaf. De auto erachter spuit wolken confetti over het publiek. Als de deur van de voorste auto opengaat valt deze uit de hengsels op straat. Eerst verschijnen er enorme grote schoenen waarna de hele clown volgt.
‘Kom Balancine, we zijn al laat. Gooi die stok achterin en wegwezen,’ zegt de chagrijnige clown.
Ongeduldig pakt de clown zelf de stok en steekt hem tussen de andere spullen op het dak van de auto. Vinnie, genaamd Balancine, probeert hinkend de auto te bereiken terwijl hij zijn schoenen aandoet. Hij gaat naast de clown zitten. Krakend duwt de clown de herstelde auto in de versnelling en rijdt weg. Vinnie wuift nog even naar Anna die volkomen verbaasd de auto’s staat na te kijken. Ze weet niet wat ze voelt, verdriet of verraad. De stationschef had dur toch gelijk, denkt ze, hij heeft een nieuwe liefde in de stad gevonden: het circus.

Op weg naar huis worden haar stappen steeds groter en resoluter. Niemand durft haar aan te spreken. Door de klap waarmee ze de voordeur dichtgooit, valt de dikke enveloppe van het kleine tafeltje in de gang. Ze raapt hem op en kijkt wat erin zit.
Geld? Veel geld? Geen bedankje of een afscheid? Heb ik hiervoor zijn vuile onderbroeken staan wassen? Zijn eten gemaakt. Zijn bed verschoond? Wie denkt hij wel dat ik ben? Zijn dienstmeid? Is meneer Balancine helemaal besodemieterd! Dit laat ikDie Al moet ik er de hele wereld voor afreizen.
Ze gooit een koffer op bed en gooit er de belangrijkste zaken in. De bankbiljetten stopt ze in haar portemonnee, wat er niet inpast steekt ze in haar bh. Een half uur later staat ze star voor zich uitkijkend te wachten op de bus. Geen idee waar ik moet beginnen, denkt ze, maar vinden zal ik hem.

Langer verhaal

John D. Muller View All →

Schrijver van korte verhalen. Soms iets langer. Soms iets anders.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: