De zoektocht van Ichiro

Houtsnede van Hokusai Katsushika (1760 – 1849)

 

Waarom vertrok hij? Waarom, denkt Ichiro, is hij nooit teruggekeerd? De berg Fuji-san kijkt op hem neer. Ichiro zit zoals iedere dag hoog in zijn boom en staart over het meer. Misschien zijn er bergen om je achter te kunnen verstoppen, nadat vader achter de berg verdween heb ik hem nooit meer teruggezien. Er zal daar een plek zijn waar hij alles is vergeten.
Sinds de dag van het afscheid zit Ichiro in de boom. Het is al zeven jaar geleden, denkt Ichiro, iedere dag hoop ik hem terug te zien op de beweging van het water. Iedere dag denk ik terug aan het moment waarop ik hem moest uitzwaaien.
‘Ik wil met u mee,’ zei Ichiro.
‘Dat kan niet, Ichiro, de reis die ik moet maken is oneindig. Je zal moe worden en ik heb geen tijd om op je te wachten.’
Vader ging met gekruiste benen op de grond zitten en sloeg met een hand naast hem op de grond. Ichiro volgde zijn voorbeeld.
‘Ik begrijp dat je het moeilijk vindt om achter te blijven, Ichiro, maar ik vraag je om geduldig te zijn. Wees zo afwachtend als een kraanvogel die onbeweeglijk wacht tot een vis zich laat zien.’ Ichiro glimlacht als hij ziet hoe vader, zoals hij altijd doet, tijdens het vertellen met twee vingers een oorlel kneedt. ‘Misschien zal je mij nog eens terugzien. Misschien ook niet. Leef een lang en gelukkig leven. Eens komt de dag dat ook jij moet vertrekken, dat is de dag dat je het zult begrijpen.’
Bij zijn laatste woorden veegt vader de tranen uit het gezicht van Ichiro. Ze staan op en buigen naar elkaar. Vanaf het moment dat vader in de boot stapt en op de wind richting Fuji-san vaart, heeft hij geen aandacht meer voor Ichiro. Hij is als een vreemde.

In het jaar van zijn zestiende lente zit Ichiro diep in gedachten in zijn boom. Jaren heb ik hier zitten wachten – ik ben de boom dankbaar – maar van vader heb ik nog altijd niets vernomen. Na tweeëntwintighonderd dagen knaagt voor het eerst het ongeduld aan mijn verwachting. Wat verbergt Fuji-san, het geluk? Ongetwijfeld. Of is de berg een uitdaging? Waar zal ik een antwoord kunnen vinden? Hier blijf ik niet langer.
De nacht voor het vertrek ligt Ichiro alles te overdenken. Hij draait van de ene op de andere zij en vindt geen slaap. Laat ik maar gelijk gaan vertrekken, denkt hij, als ik toch niet kan slapen. Met dikke ogen zit hij op de rand van het bed. Er dringt een gedachte binnen, alsof iemand een naam fluistert: Amida. Hij loopt naar het raam. Er is niets te zien, alles en iedereen is nog in rust.
Dat ik weg moet is zeker, maar waar naartoe? Hij eet iets en vertrekt. Het zal me onderweg ongetwijfeld duidelijk worden, denkt Ichiro, ik ga zoals vogels voor de winter.
Dagen loopt hij verloren rond. Op de vierde dag weet hij zeker dat hij ergens een verkeerde keus moet hebben gemaakt. Het mangrovebos wil hem geen toegang bieden. Hij vecht zich een weg door de dichte begroeïng.
‘Ben je daar eindelijk?’ spreekt iemand. Voor een kleine eenvoudige hut zit een oude man op een bamboemat. Met een duim wijst hij over zijn schouder. ‘Waarom ben je niet over het pad gekomen?’ zegt de oude man met een glimlach. ‘Ga zitten en drink een kopje thee. Daar zal je wel zin in hebben.’
Het lijkt wel of hij mijn komst heeft verwacht, denkt Ichiro.
‘Je hebt me lang laten wachten, Ichiro, ik heb al vele kersenbloesems zien bloeien.’
‘Hoe weet u dat mijn naam Ichiro is?’
De oude man is weer gaan zitten op zijn bamboemat en wacht even met reageren.
‘Dat weet ik zoals jij weet dat mijn naam Amida is.’
In stilte kijken ze elkaar aan en drinken thee.
‘Vertel eens, Ichiro, wat wil je mij vragen?’
‘Ik? Vragen… hoe weet u dat nou weer?’
De oude man wijst met een vinger omhoog. Ichiro volgt de richting waarheen hij wijst.
‘Zo nieuwsgierig als jij mijn vinger volgt, zo dichtbij is het antwoord op wat jij mij vragen wil.’
De oude man geniet zichtbaar van het onnozele gezicht van Ichiro.
‘De grootste moeite die het leven kost, Ichiro, is luisteren naar de roep van heel worden. Het is zelfs moeilijker dan proberen één te worden met een boom. Maar als je het weet te volbrengen zal jouw einde worden verbonden met je nieuwe begin. Anders kan de aarde niet draaien. Alles beweegt zich tussen de zon en de maan. Met uitzondering van… ‘ De oude man buigt zich vriendelijk naar Ichiro en wacht een moment. Ichiro zit hem onbegrijpelijk aan te kijken. ‘Jij kent de uitzondering, Ichiro, alleen de berg beweegt niet. Een berg wacht zijn hele bestaan en vangt op koude hoogte de meeste sneeuw. Dat mag hij nooit vergeten omdat anders de sneeuw in ons leven zal vallen. Het zal smelten en ons verdrinken in het verdriet. Maar dat is nog niet alles, Ichiro, sneeuw zorgt ervoor dat sporen van wat achter ons ligt worden uitgewist of worden vastgehouden. Dus jouw berg kan iets verhullen, maar kan ook iets prijs geven.’
Er valt een lange stilte.
‘Is dit het antwoord op je vraag, Ichiro?’
‘Ik snap het een beetje, Amida, maar nu weet ik nog altijd niet wat ik  moet doen.’
De oude man wijst opnieuw met een glimlach omhoog. Ichiro dwingt zich dit keer om niet omhoog te kijken. Dan valt er een dikke sneeuwvlok op zijn neus.
‘Ga terug naar huis, beste Ichiro, en kies dan wat je gaat doen. Ga je zoeken of blijf je hopeloos afwachten? Luister naar je hart.’
De oude man staat op en loopt zijn hut binnen. Bij terugkomst heeft hij een lampion in een hand en geeft deze aan Ichiro. ‘Als het te donker wordt moet je hem maar aansteken, het ga je goed, Ichiro.’ De oude man draait zich nog een keer om voordat hij zijn hut binnengaat. Ichiro wuift hem vaarwel.

Ichiro gunt zich weinig slaap. Het pad scheelt een dag lopen. Hij heeft haast en een hoge verwachting van zijn thuiskomst.
Zijn huis bereikt hij tegen de avond. Het is een teleurstelling, alles is zoals hij het heeft achtergelaten. Behalve het pak sneeuw waarmee de omgeving is bedekt. Zal het alles verhullen, denkt hij, of zal het iets willen benadrukken? De vermoeidheid slaat opeens toe. Uitgeput besluit hij om even te gaan liggen.
De nacht is voor Ichiro ongemerkt voorbijgegaan. Hij opent zijn ogen en sluit ze weer onmiddellijk. De winterzon schijnt in zijn gezicht. Hoe laat is het? Hij slaat de deken om zich heen en loopt naar buiten. De sneeuw is nog altijd onaangeraakt. Ik ga naar de boom, denkt Ichiro, misschien geeft de boom mij iets prijs.
Het meer is dichtgevroren. De boom wordt op het ijs weerspiegelt. Takken zijn bedekt met sneeuw. Ik heb geen zin om erin te klimmen, denkt Ichiro, waarom zou ik, de berg staat nog altijd op zijn plek. Er is ook hier niets veranderd. Geen sporen in de sneeuw. Geen teken van leven. Geschrokken draait hij zich om en ziet een kraanvogel op hem af rennen met wijd fladderende vleuugels. De boom biedt bescherming. De vogel blijft vlak voor hem staan. De wind veroorzaakt door de vleugels gooit sneeuw omhoog. Ichiro is achterover gevallen en ligt onder de sneeuw.
De rust keert weer. Ichiro steekt voorzichtig zijn hoofd boven de sneeuw uit en gaat rechtop zitten. Hij slaat de sneeuw van zich af tot hem de directe omgeving opvalt. Er ligt geen ijs meer op het meer. Rond hem is alles groen en de boom staat in bloei. Het paradijs, denkt Ichiro, nee, wat een onzin. Zijn mond staat half open  en zijn hart klopt in zijn keel. Langs de oever staat een jonge vrouw, ze draagt een blauwe glimmende kimono. Het borduurwerk is van gouddraad. Ze glimlacht en wuift hem dichterbij. De laatste sneeuw op zijn hoofd smelt en glijdt langs zijn gezicht naar beneden.
Ichiro staat op en houdt de vrouw in de gaten. Kijkend over het meer houdt ze een hand boven het water. Uit het niets glijdt een boot naar de oever.
‘Kom,’ zegt de vrouw. ‘Je vader stuurt mij om je te komen halen.’
Ze stappen in de boot en varen als vanzelf richting de berg waarbij ze honderden drijvende lampions passeren. Ichiro voelt zich intens gelukkig en kijkt de mysterieuze vrouw aan. Ze zit glimlachend voor zich uit te kijken met de handen in haar schoot. De berg wordt alleen maar groter, denkt Ichiro, wat een sneeuw ligt er bovenop. De oever wordt steeds duidelijker zichtbaar.
‘Zal ik dan morgen eindelijk weten wat er aan de andere kant van de berg te vinden is?’
De vrouw houdt een vinger aan haar lippen. ‘Je moet niet zo hard praten,’ fluistert ze. ‘Anders valt alle sneeuw van de berg.’

Noot van de schrijver:
Het zal mij niet verbazen dat u graag wil weten wat er aan de andere kant van de berg te vinden is. Daarin ben ik achterwege gebleven, ik was er ook nog nooit geweest.
Een half jaar geleden besloot ik er naartoe te reizen. Voor zover mogelijk heb ik dezelfde route gevolgd als Ichiro en kwam na veel omzwervingen in een klein dorp aan. Het dorp (ik heb beloofd de naam niet te noemen) ligt aan de voet van de achterkant van de berg. Zittend op een terras ontmoette ik een stokoude man, hij beweerde een smit te zijn van Samurai zwaarden. Na het tot ons nemen van wat saké werd hij loslippig. Ik fluisterde in zijn oor (hij verstond Engels omdat hij lang in Hollywood had gewerkt), en vroeg hem wat er zo bijzonder is aan de achterkant van de berg. Op hoge toon begon hij te lachen en sloeg mij op de rug. ‘De achterkant? Is die er?’ zei hij en er kwamen steeds meer dorpelingen om ons heen staan. ‘Ik ken alleen deze kant, de voorkant.’ Alle dorpelingen lachten met hem mee. ‘Kom jij dan van de achterkant? Hoe ziet het er daar uit?’
‘Nee, ik kom uit Rotterdam,’ zei ik vlug omdat mijn vliegtuig dezelfde dag vanaf Tokyo zou vertrekken.
‘Rotterdam? Feyenoord?’ riep een van de dorpsbewoners.

 

Langer verhaal

John D. Muller View All →

Schrijver van korte verhalen. Soms iets langer. Soms iets anders.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: