Leafde Út Fryslan

De zware kerkdeur valt tergend langzaam dicht. De binnengekomen bejaarde man kijkt belangstellend rond. Het is nog altijd hetzelfde, denkt hij, hoe kan je ook anders verwachten. Met behulp van zijn wandelstok loopt hij naar de voorste banken. Met een vast ritme tikt de stok op de stenen vloer. Een enkele keer blijft hij staan en leest de enorme grafstenen in de vloer. De meeste letters zijn afgesleten. Alleen de allerrijksten konden zich zo’n plek veroorloven. Je moet het maar leuk vinden, eeuwenlang lopen ze over je heen. Dood of levend, ik laat niet over me heenlopen. Hij neemt plaats aan het gangpad op de voorste rij. De plek voor schijnheiligen, denkt hij en slaat cynisch een kruis.
Hij hangt er nog altijd. Het is een mooi gezicht in het kleurige vallicht van de ramen. Het geluid van een piepende deur klinkt door de kerk. Vanuit de sacristie loopt er een kleine oude vrouw de kerk binnen. In haar hand draagt ze een bloemstuk. Ze plaatst het op een hoek van het altaar en rangschikt alles tot de compositie naar tevredenheid is. Nadat ze haar handen aan haar schort heeft afgeveegd, loopt ze weer terug. Bij het zien van de oude man in de kerkbank blijft ze verbaasd staan kijken om daarna snel te verdwijnen.
Kort daarna laat de deur zich weer horen. Een lange magere man komt naar de oude man toegelopen. Zijn mouwen zijn opgerold en om zijn nek hangt een geknoopte blauwe geruite handdoek.
‘Kan ik u misschien helpen?’
‘Dat denk ik wel,’ reageert de oude man die hem zijn hand reikt.
Ze begroeten elkaar, de lange man stelt zich voor als pastoor Dikkens.
‘Jitze Sytsma. Ik wil graag even met u praten, misschien kunt u mij aan een antwoord helpen. Tenslotte bent u een man van God en, als ik mij niet vergis, God is liefde.’
‘Dat zegt u goed, meneer Sytsma, God gaf ons Zijn zoon.’
‘En dat noemt u liefde? Goed, goed, laten we aannemen dat Hij liefde is.’
‘Dat is Hij.’
‘Ik moet u nodig iets vragen. Het speelt al mijn hele leven.’ De oude man kijkt onderzoekend om zich heen. Er is niemand te zien. ‘Ik word morgen zevenentachtig en mag niet klagen, ik heb een mooi leven gehad, maar… ‘
‘Ik heb u hier niet eerder gezien,’ merkt de pastoor op. ‘Bent u van deze kudde?’
‘Huh?’ Jitze gaat verzitten. ‘Ik, ik… als u het zo noemt, jawel, maar dat is enige tijd geleden.’
‘U heeft een vraag, zegt u, mag ik mijn vraag eerst stellen?’ de pastoor wacht niet op een antwoord. ‘Gelooft u in God?’
‘Nou, als u mij eerst eens laat uitspreken. God is liefde, daar zijn we het over eens. Morgen ben ik weer ouder – ja, ja, ik weet het: Als God het wil.’
De pastoor knikt tevreden.
‘God is liefde en dat is precies wat ik mijn hele leven aan het zoeken ben. U begrijpt misschien dat ik niet meer zolang heb. Mijn probleem is, ik, ik… ‘ Hij kijkt weer om zich heen. ‘Ik ben in mijn leven nog nooit verliefd geweest.’
De oude man grijpt de wandelstok met beide handen stevig vast. Zijn knokkels worden wit. Hij zucht en laat zijn kin op zijn handen rusten. De pastoor is een moment uitgeteld en denkt na. Opnieuw snijdt het piepende geluid van de deur door de kerk. De oude vrouw probeert te laten blijken geen interesse te hebben in de beide mannen. Haar ogen vertellen iets anders. Met een nieuw bloemstuk in haar handen loopt ze naar het altaar. Het bloemstuk krijgt een plek op de andere hoek. Het bloemstuk wordt opvallend lang in diverse posities gedraaid. Demonstratief schraapt de pastoor zijn keel. Beledigd loopt de oude vrouw terug naar de sacristie. Het valt niemand op dat er geen deur piept.
‘U merkte het al op, inderdaad, ik ben een man van God, zo ervaar ik dat ook. Ik zeg u eerlijk dat ook ik geen vrouw in mijn leven heb aangeraakt. Daar heb ik nooit een probleem mee gehad.’
Vanachter een pilaar verschijnt het hoofd van de oude vrouw. De deur valt dit keer wel piepend dicht.
‘Prachtig,’ zegt de oude man. ‘U bent nog jong en ik voel me geen man van God. Ik ben maar eenvoudig met alle aardse beslommeringen. Het was nooit makkelijk, vooral niet met Oud & Nieuw. Of met mijn verjaardag. Met kerst. Valentijnsdag. ’s Winters met je tanden op elkaar in een koud bed stappen. Dat vraagt moed. Maar het meest pijnlijke is buiten de deur eten. Je gaat zitten en dan komt er onmiddellijk zo’n snotneus naar je toe… ‘ De oude man kijkt de pastoor aan. ‘Ik verveel u toch niet?’
‘Nee, absoluut niet, maar mijn soep staat koud te worden. Het geeft niet, ik vraag Solange, mijn huishoudster, om het op te warmen, Ga verder, Jitze.’
‘Je zit aan tafel in het restaurant en dan confronteren ze je met de vraag: U bent alleen? Dat zie je toch, denk ik dan en zeg dan dat ik op iemand wacht. En dan lieg ik niet. Maar na verloop van tijd krijgen ze het in de gaten en roepen versterking. Voordat je het weet blijf je achter met een halve tafel. Dat is pijnlijk, begrijpt u?’
‘Ik snap het,’ reageert de pastoor. ‘Vroeger zat de kerk stampend vol, tegenwoordig mag je blij zijn dat ze bij de Here willen aanschuiven.’
Jitze kijkt de pastoor hoofdschuddend aan.
‘Ik heb een voorstel,’ gaat de pastoor verder. ‘Over drie weken houden we een kerstdiner. Bij deze nodig ik je daar voor uit.’
‘Nee, dat hoeft echt niet. Al die vreemde mensen… maar als ik kom doe ik niet met de viering mee.’
‘Dat mag je helemaal zelf weten. Kom er gewoon lekker bij zitten. Het is ieder jaar reuze gezellig. Solange is een keukenprinses. Dat wordt smullen. Afgesproken?’
‘Ik weet het niet. Ik zal er eens goed over nadenken.’
‘Dat is goed, Jitze, ik zie je over drie weken. Het begint om zeven uur ’s avonds.’
‘Zeven uur? Dan sterf ik van de honger.’
Ik heb geen duidelijkheid gekregen over de liefde, denkt Jitze, dat heeft hij knap gedaan, die wolf in schaapskleren. Was ik er bijna een van zijn kudde geworden. Ik ga niet.

Er zijn drie weken voorbij gegaan. De pastoor zit aan het hoofdeind van een lange tafel. Met genoegen kijkt hij naar de gasten. Hij kijkt op zijn horloge en ziet dat het diner twintig minuten geleden had moeten beginnen. Solange kijkt voor de derde keer om de hoek.
‘Meneer pastoor, moeten we niet eens gaan bidden? Ik heb nogal honger. Straks val ik van de graat. Ik heb suiker.’
‘Nog tien minuten, Marie, ik verwacht nog iemand.’
Dan gaat eindelijk de deurbel. Met een zucht van opluchting staat de pastoor op en opent de voordeur. Het is niet de man waar hij vurig op hoopte.
‘Goedenavond, meneer, mag ik u heel even storen?’ zegt een grote forse man. ‘In opdracht van de gemeente houden we een onderzoek… ‘
‘Beste man, ik zit aan een kerstdiner. Het spijt me.’
Bij het sluiten van de deur ziet de pastoor de man weggaan waardoor opeens iemand anders wordt onthuld.
‘Jitze! Wat geweldig, ik had je niet gezien. Kom erin.’
Bij binnenkomst begint iedereen opgelucht te klappen.
‘Solange! roept de pastoor naar de keuken. ‘We kunnen beginnen!’
‘Ja, ja,’ klinkt het op gedempte toon. ‘Nu hebben we opeens haast. Ik kom eraan.’
‘Drink je rood of wit, Jitze?’
‘Doorzichtig.’
‘Die heb ik ook.’ De pastoor schenkt iedereen naar wens in. ‘Nou, lieve mensen,’ spreekt hij met zijn glas omhoog. ‘Een toast op het kindje Jezus. Zalig kerstfeest.’
‘We moeten nog bidden,’ waarschuwt Marie.
‘Dat slaan we maar een keer over, Marie, dat doen we vaak genoeg.’ In een keer gooit hij zijn glas achterover.
‘Geen kerkdienst? Geen gebed?’ zegt Jitze. ‘Er is in de loop der tijd veel veranderd. Zeg, pastoor, die Marie,’ fluistert hij. ‘Hoe oud is die?’
‘Heb je haast Jitze?’ zegt de pastoor. ‘Laten we eerst eens lekker gaan eten. Solange! Kon de kip van dit jaar vliegen?’
Op hetzelfde moment komt Solange met twee schalen binnenlopen. Ze kijkt de pastoor beledigd aan en blijft opeens stokstijf staan. ‘Volgens mij zat u pas toch in de kerk?’ zegt ze tegen Jitze en zet vlug de warme schalen op tafel.
‘Is er geen appelmoes?’ vraagt een van de andere gasten.
Solange reageert niet. Ze staat in gedachten naar Jitze te kijken.
‘De appelmoes staat op tafel,’ zegt de pastoor. ‘Is er iets, Solange?’
Ze schrikt op uit haar gedachten en loopt naar de keuken.
‘Nog eentje, Jitze?’ De pastoor schenkt zichzelf ook nog iets in en laat de anderen zichzelf bedienen.
‘U houdt er wel van, hè?’ zegt Jitze brutaal. ‘Als je maar niet agressief wordt.’
Bij die woorden proest iedereen het aan tafel uit. Marie geeft Jitze een knipoog. Onder luid applaus komt Solange met nog meer eten binnen. Het zijn twee gemarineerde kippen in een paddenstoelenbedje.
‘Jij mag het dit keer doen, Solange,’ zegt de pastoor die haar een vleesmes en tang aanreikt.
‘Ik? ‘Tuurlijk, lekker makkelijk. Schenk er nog een in.’
Dat was niet tegen de verkeerde gezegd. Terwijl er opnieuw wordt geschonken, snijdt Solange flinke delen kip Ondertussen blijft ze naar Jitze kijken. Hij krijgt als laatste het mooiste stuk kip dat zijn bord niet zal bereiken. Het valt samen met de tang uit haar handen in de schoot van Jitze. Solange slaat een moment haar hand aan haar mond. ‘Onmogelijk!’ zegt ze emotioneel. ‘Jitze Sytsma út Frjentsjer.’
De pastoor biedt haar zijn stoel aan. ‘Ga maar zitten, Solange, je ziet helemaal wit.’
‘Dat is rjocht,’ reageert Jitze. ‘Hoe witte jo dat?’
‘Herken je me niet meer, Jitze? Ik ben het, Solange Ypma,’ zegt ze met rode wangen.
‘Van de overkant?’
‘Ja.’
‘Maar dat is minstens zeventig jaar geleden. Dan moet jij nu… warempel, jij was altijd op vier december jarig, dan moet je nu… vijfentachtig zijn?’
‘Dat je dat nog weet!’
Solange valt Jitze om de nek en kust hem vol op zijn mond. Alweer wordt er enthousiast in de handen geklapt.
‘Waar is de pastoor gebleven?’ vraagt de stralende Solange,
‘Die is een paar nieuwe flessen uit de kelder halen,’ reageert Marie jaloers.
‘Mooi,’ zegt Solange. ‘Dat wilde ik hem net vragen.’

Kort verhaal

John D. Muller View All →

Schrijver van korte verhalen. Soms iets langer. Soms iets anders.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: