De verdronken roos

Wat een idioot ben ik. Daar sta ik weer. Als de liefde mij niet zoekt zal ik het niet vinden.
Iedere dag beklimt Berthil de dijk in de hoop aan de andere kant een droom te vinden. Zijn broekspijpen wapperen wild om zijn benen. Donkere wolken drijven dreigend landinwaarts vanaf de zee. Vandaag is het weer als vanouds, denkt hij, bittere teleurstelling.
Boven zijn hoofd trotseert een meeuw de wind. ‘Jij durft!’ roept hij omhoog. ‘Dat zou ik ook wel willen. Gedragen worden door de wind. Niks moet. Gewoon nergens aan denken.’
Hij steekt zijn handen in zijn zakken en draait zich om. Bovenop een terp in het buitendijkse land torent zijn boerderij overal bovenuit. Laat ik maar naar huis gaan en alles vastsjorren voordat het noodweer losbreekt. De storm komt gevaarlijk dichtbij.

Het licht van een bliksemflits dringt door de gordijnen naar binnen. Berthil trekt de dekens over zich heen. Er volgt een donderslag. In de keuken staat het serviesgoed te rinkelen.
Waarom winnen gedachten het altijd van dromen? Ik wil slapen. Kon ik maar in volle overgave leven als een meeuw. Maar ja, dat is voor een mens niet weggelegd, wij moeten ons altijd ergens aan vasthouden. Aan dingen. Aan anderen. Aan de liefde. Het wordt tijd dat ik leer om los te laten.
De wind jaagt rond de boerderij en de nacht vordert. Hij rolt naar links. Hij rolt naar rechts. Opeens zit hij overeind in bed. ‘Verdomd, ik heb het!’
Hij trekt zijn overall over zijn pyjama aan, pakt zijn regenjas van de kapstok en stapt in zijn klompen. Met een hand trekt hij de capuchon over zijn hoofd en laat hem niet los, De onrustig brandende stormlamp in zijn andere hand werpt spookachtige schaduwen op de schuurdeur. Binnen pakt hij een houweel en een spade. Aangemoedigd door de wind in zijn rug loopt hij naar de dijk. Zijn capuchon waait af. Het kan hem niet deren, doelgericht loopt hij met grote passen verder.

Het zeewater spat in zijn gezicht als de golven op basaltkeien kapot slaan. Op de grens van water en land slaat hij de houweel in de grond en trekt de eerste kluit vette klei los. Er gaan weken voorbij voordat er langs de dijk een lange strook grond is vrijgemaakt. Hij pakt de spade om te beginnen met het graven van een greppel.
Zijn eeltige handen hebben maanden later een diepe greppel gegraven. De greppel is zo diep dat hij gebruik moet maken van een ladder.
Waarom gebeurt er nog altijd niks, vraagt Berthil zich af, ik ben bang dat het mislukt is. Dieper ga ik echt niet. Of wel? Een meter misschien, meer niet. Op dat moment ziet hij hoe er rond zijn klompen een dun laagje water stroomt. Het rommelt in de verte. Snel klimt hij uit de greppel en ziet hoe er verderop water over de rand van de greppel slaat. Met ongekende snelheid komt het zijn kant op. Zo hard hij kan rent Berthil met de klompen in zijn hand naar huis. Hij sluit de blinden en gaat aan de keukentafel zitten wachten op wat er staat te gebeuren. – Nee! Wat dom! Ik ben moeders rozenstruik vergeten – Hij gaat opnieuw naar buiten om de rozenstruik een paar keer met plastic te omwikkelen. Met touw houdt hij alles bijeen. ‘Sorry, mam,’ prevelt hij en kijkt naar de hemel.

De aarde trilt en beweegt. De foto van moeder valt op de grond. ‘Ik zei toch sorry, mam,’ zegt hij angstig en raapt de foto van de grond. Een van de raamblinden is losgeraakt en slaat tegen de muur.
Wat heb ik gedaan? Ik blijf hier niet langer zitten, ik ga me in de kast onder de trap verschuilen. Hij opent de kastdeur en verliest plotseling zijn evenwicht. Het huis kraakt aan alle kanten. Net op tijd kan hij een trapstijl beetpakken.
De boerderij maakt slagzij. Golven slaan over het dak. Glasgerinkel. Zeewater dringt de boerderij binnen. Tot geruststelling van Berthil keert langzaam de rust terug. Hij kan weer ademhalen en staat op. Dan begint alles weer van voren af aan in een omgekeerde beweging. Het duurt dit keer maar kort. De rust keert opnieuw terug. Berthil vertrouwt het dit keer niet. Zodra hij de moed heeft verzamelt gaat hij naar buiten. Er is nergens meer een kustlijn te zien. Er verschijnt een brede glimlach op zijn gezicht. Vanaf nu mag ik mijzelf een eilandbewoner noemen, denkt hij, ik ben benieuwd waar het eiland mij naartoe zal brengen.

Er zijn ondertussen maanden voorbij gegaan en ik heb nog geen land gezien. Maar wat me nog meer beangstigt is, dat het eiland met de dag kleiner wordt. De zee neemt steeds vaker een stuk van mijn grond mee. Aan de achterkant ligt hooguit nog twintig meter. Ik ben blij dat ik maar een koe heb meegenomen. Voor nog meer was nu geen plek meer geweest. Als het op deze manier zo doorgaat heb ik nog een maand.

Langzaam drijft het eiland een mistbank binnen. Er is nog maar een meter zicht. De zee is rustig. Het klotsende water benadrukt het bestaan. Zal dit het gevoel van een meeuw zijn? Alsof niets nog bestaat. Alleen nog leegte. Misschien kom ik in de buurt van mijn…
‘I’d say!’ wordt er geroepen. ‘Do you mind?!’ zegt een man in een lange met bont gevoerde jas. ‘It’s quite foggy you know. Give me at least a warning, if you please, I almost capsized.’ De man zet zijn vliegeniersbril op het hoofd en kijkt rond. ‘Jolly good, a tree, go Hutchins!’
Hutchins kwispelt zijn staart en kijkt op. Hij springt van de waterfiets, tilt een poot op en plast tegen de boom. Op zijn gemak komt hij weer teruggelopen en stapt weer aan boord van de waterfiets.. De man zet zijn vliegeniersbril weer op, fietst achteruit en vervolgt zijn reis. ‘Cherio, old chap,’ roept hijen salueert.
‘Weet!’ roept Berthil. ‘Ik siek een wijf, hef you… ‘
‘Let it be,’ klinkt er uit de mist. ‘Let it be.’

Het eiland heeft de afmeting aangenomen van een royale volkstuin. De boerderij is voor een belangrijk deel ingestort. Onverbiddelijk slaan de golven op de laatste overblijfselen. Alleen het toilet biedt nog enige bescherming.
Het is met me gedaan, denkt Berthil rillend van de kou, nu is ook de laatste muur ingestort.
De toiletpot begint gevaarlijk over te hellen. Berthil valt er vanaf en ligt tussen de overblijfselen in het ijskoude water. En ik wilde zo graag loslaten, denkt hij, ik heb helemaal niks meer behalve de gedachte aan liefde. Hopeloze liefde. Wat is het koud.
Hij gaat kopje onder en komt weer proestend boven. Met een laatste inspanning weet hij zich beet te houden aan een groot stuk hout. Niet voor lang. Hij raakt versuft en glijdt langzaam terug in het water. Hij heeft de strijd verloren en verdwijnt onder water. Met een laatste krachtsinspanning reikt hij in zijn wanhoop naar boven en trekt iets met zich mee de dood in.

Het moet als de tijd zijn van net voor het begin van de schepping. De aarde wacht en het is doodstil. Wind staat er bijna niet. Golven spelen met de resten van wat eens de boerderij was en hoog in de lucht balanceert een meeuw op zijn vleugelpunten. Ongemerkt komt er een roos aan de oppervlakte drijven. Langzaam valt de bloem uiteen. DE blaadjes drijven weg.

Kort verhaal

John D. Muller View All →

Schrijver van korte verhalen. Soms iets langer. Soms iets anders.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: