Waldo de ijs beer

‘Bert, wat ben je aan het doen? Het is koud, doe het raam dicht.’
Bert wil door het raam naar buiten klimmen.
‘Ik moet even stiekem weg, Els, niet verder vertellen.’ zegt hij tegen zijn zus.
Els trekt snel de deken omhoog. ‘Wat ga je dan doen?’
‘Ik ga de ijsbeer zoeken,’ zegt Bert.
‘Wat? Maar die zal wel honger hebben,’ zegt Els geschrokken. ‘Straks eet hij je nog op.’
‘Echt niet,’ zegt Bert lachend. ‘Hij woont in de dierentuin en niet op de Zuidpool.’
‘IJsberen wonen op de Noordpool, Bert, dat heb ik pas op school geleerd.’
‘Noord of zuid, deze komt uit de dierentuin, die doet niks.’
Buiten vallen sneeuwvlokken.
‘Jij hebt hem toch ook op televisie gezien, Els, hij is hartstikke lief.’
Bert is door het raam verdwenen. Bibberend stap Els uit haar bed en doet het raam dicht. Bert is nergens meer te zien. Els weet niet wat ze moet doen. Moet ze het nou wel of niet tegen pappa en mamma gaan vertellen? Dan valt ze in slaap.

Brr… wat is het koud, denkt Bert, en wat staat er veel wind. Sneeuwvlokken waaien in zijn gezicht. Zag ik dat nou goed? Ja, ik zag een beer en hij ging de hoek om.
‘Beer!’ roept Bert met twee handen aan zijn mond. ‘Wacht!’
Bert rent er snel achteraan. Hij vergeet dat het glad is en valt achterover op straat. Van schrik blijft hij liggen.
‘Is alles goed met je?’ vraagt iemand met een bromstem.
‘Beer!’ roept Bert blij. ‘Jij bent het!’
‘Natuurlijk, jongen, waarom lig je op straat, dat is toch veel te koud?’
‘Ik heb je op televisie gezien, beer.’
‘Ik? Op televisie? Waarom?’ bromt de beer.
‘Ze zoeken je omdat je bent weggelopen,’ zegt Bert.
De beert trekt Bert overeind.
‘Maar ik moet naar huis,’ zegt de beer. ‘Mijn moeder is bijna jarig.’
‘Zie je wel,’ zegt Bert. ‘Ik wist het, je hebt hulp nodig. Ben je weleens met de trein geweest?’
‘Nee. Hoe heet jij eigenlijk?’
‘Ik heet Bert.’
Ze schudden elkaar de hand.
‘Ik ben Waldo van de Noordpool.’
Samen lopen ze in de richting van het station.
‘Het is fijn dat je me wilt helpen, Bert, maar ik heb geen geld.’
‘Dat hoeft ook niet, Waldo, beren mogen gratis met de trein.’
Opeens blijft de beer staan.
‘Bert, ik heb een idee, je mag bovenop mijn schouders zitten. Dan zeg jij hoe ik moet lopen.’

Het is al laat. In het station is niemand te zien.
‘Ho, ho, ho,’ roept de meneer die de kaartjes verkoopt. ‘Wat doen jullie hier zo laat?’
‘Ik ga naar mijn moeder,’ zegt Waldo de beer.
‘Dan bof je, het is de laatste trein,’ zegt de meneer. ‘Hier, je hoeft niet te betalen maar je moet wel een kaartje hebben.’
Dan kijkt hij naar Bert.
‘Hoor jij bij hem?’
‘Ja, meneer,’ zegt Bert. ‘Ik mag ook op de verjaardag komen.’
‘Dan krijg je van mij een ik-rij-met-mijn-vriend-mee kaartje. Alsjeblieft. Goeie reis.’

Samen lopen Waldo en Bert naar het perron en klimmen in de trein. Ze kiezen allebei een plek bij het raam. Waldo de beer is zo groot dat hij twee stoelen nodig heeft. Moe vallen ze in slaap.
Als ze wakker worden zien ze hoge bergen. Het wordt alsmaar kouder. Bij het eindpunt stappen ze uit.
‘Brr… wat is het hier koud, beer.’
Waldo de beer moet lachen. IJsberen hebben het nooit koud. Hij vindt het heerlijk.
‘Hou me goed vast,’ zegt Waldo de beer. ‘Dan springen we op die grote ijsschots.’
Ze drijven langzaam naar zee. Bert staat tegen Waldo de ijsbeer aan en krijgt het warmer. Opeens begint Waldo de ijsbeer te zwaaien. In de verte staat een andere ijsbeer. Ze draagt een hoofddoekje.
‘Mamma!’ roept Waldo de beer. ‘Gefeliciteerd!’
Blij zwaait de mamma van Waldo terug.
In de grot van Waldo’s mamma krijgen ze ijsthee met ijsklontjes. Overal hangen slingers. Na het feest maken Waldo en bert een grote sneeuwpop. Voor ze het weten is de tijd om en moeten ze weer weg.

Ze maken weer dezelfde reis terug. Na dagen komen ze aan bij de dierentuin. De moeder van Bert neemt hem in haar armen en zijn zus is blij.
‘Wat fijn dat je weer terug bent, Bert,’ zegt zijn moeder. ‘We waren zo ongerust.’
De muziek begint te spelen en er vliegen ballonnen de lucht in. De burgemeester geeft Waldo de beer en Bert een hand. De directeur van de dierentuin staat in zijn handen te klappen.
‘Waldo de beer,’ zegt de directeur. ‘Welkom terug. Vanaf nu wordt je nooit meer opgesloten. We hebben iets anders bedacht, kom maar mee.’
Waldo en Bert lopen achter de directeur aan. Dan krijgt Waldo een pet op zijn hoofd en een stropdas om.
Alsjeblieft,’ zegt de directeur trots. ‘Kijk eens! Voor jou.’
Vanaf die dag staat Waldo de beer iedere dag achter zijn eigen ijscowagen. Alle kinderen krijgen van hem een gratis ijsje. En Bert mag voor altijd gratis naar de dierentuin.

 

 

Kinderachtig

John D. Muller View All →

Schrijver van korte verhalen. Soms iets langer. Soms iets anders.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: