De Hemelklimmer

 

De wekker heeft zich nog niet laten horen. Ik zit rechtop in bed en wrijf in mijn ogen. Waar ik ben en waarom, is me direct duidelijk. Ik sta op en schuif verwachtingsvol de gordijnen open. Snel wend ik mijn hoofd af. De zon schijnt recht in mijn gezicht. Er bewegen stofdeeltjes in het licht als vissen in een aquarium. Het raam klemt. Met de frisse lucht komt tegelijk de teleurstelling binnen. Waar zijn de enorme wolkenformaties boven een wijds groen landschap? Een paar schapenwolkjes in een strak blauwe lucht, dat is alles.
Je komt in contact met je diepste zelf. Je zal je als een monnik op een besneeuwde berg in de Himalaya voelen. Ik ben er met open ogen ingetrapt.
Na me te hebben opgefrist sluit ik de deur achter mij en loop naar beneden. De hoteleigenaar begroet mij in de ontbijtruimte.
‘U bent de eerste. Goedemorgen.’ Hij laat mij zien waar ik alles kan vinden. ‘Wilt u koffie of thee?’
Onder het inschenken van de koffie kan ik het niet laten om mijn frustratie uit te spreken.
‘Nee,’ zegt hij. ‘Dat is nogal overdreven. Natuurlijk, soms zijn er stevige wolken, maar die komen overal wel voor.’ Hij zet de koffiekan weg en praat verder. ‘Lang geleden bezochten schilders deze streek vanwege het bijzondere licht, dat wel. Er staan nog altijd rekeningen open. Bent u hier ook om te schilderen?’
Ik smeer de toast, neem een hap en stik bijna in de kruimels.
‘Nee,’ zeg ik onder het hoesten. ‘Ik ben hier om te proberen mijn hoofd leeg te maken. Eventjes helemaal niets. Begrijpt u?’

Het hotel heb ik achter mij gelaten. Voor mij ligt een onbekend en uitnodigend landschap. Ik weet niet waar ik vanavond zal slapen en, eerlijk gezegd, het interesseert mij ook niet. Met genoegen haal ik diep adem. Ik besluit al snel om de verharde weg te verlaten.
Het diepe karrespoor loopt niet erg makkelijk, ik ga op het gras ertussenin lopen. Hoog in de lucht klinkt het zomerse getjilp van een leuuwerik. Het is niet makkelijk om mijn hoofd leeg te maken. De ene gedachte volgt de volgende gedachte op. Laat het maar gebeuren, denk ik. Mij valt opeens iemand op. Het is niet meer dan een silhouet en moeilijk te onderscheiden. Er wordt een ladder meegedragen. Wie loopt er in deze omgeving nou met een ladder? Hij kan nergens tegen rusten, er is geen boom of bouwwerk te ontdekken.
Midden in het landschap blijft de persoon staan en kijkt zoekend omhoog. De ladder wordt enkele keren verplaatst tot hij wordt uitgeschoven. Er komt geen eind aan. Ik besluit dichterbij te lopen. Het is een man. Uiterst voorzichtig laat hij de ladder tegen de rand van een wolk rusten. Hij spuugt in zijn handen en klimt omhoog. Bij iedere stap buigt de ladder gevaarlijk door. Hij is hooguit nog een stipje als hij in de wolk verdwijnt.
De trap beweegt niet meer. Tot mijn verbazing hoor ik, ondanks de hoogte, het knippen van een schaar. Er dwarrelt iets naar beneden en het worden er steeds meer. Ze worden door de wind meegenomen. Sommigen komen mijn kant uit.
Ik pak er een van de grond. Het is papier, denk ik, maar eigenlijk niet. Het is dunner, zelfs dunner dan een scheermes. Ik kan er bijna doorheen kijken. Nieuwsgierig loop ik nog dichterbij.
De trap beweegt weer. Ik kan hem nu duidelijk zien. Hij heeft knopen in zijn lange grijze baard gelegd, waarschijnlijk om te voorkomen dat hij er bovenop gaat staan. Toch is het geen oude man, hij oogt jong en beweegt zich soepel. Bijna beneden springt hij van de trap en raapt een vel papier van de grond. Hij gaat op zijn knieën zitten, legt het vel papier op zijn schoot en schrijft er iets op.
‘Is alles goed?’ roep ik. ‘Kan ik ergens mee helpen?’ Hij hoort mij niet. Ik loop iets dichterbij. ‘Goedemorgen.’ Hij schrijft zonder opkijken verder. Als hij klaar is met schrijven houdt het papier tussen twee vingers en laat het los. De wind voert het mee. Hij staat op, loopt een stuk verder en pakt weer een vel papier. Weer schrijft hij er iets op. Ik ben bovenop een hek gaan zitten en zie het allemaal met verbazing aan. Uiteindelijk is hij uit het zicht.
De ladder, denk ik, hij heeft zijn ladder laten staan. Ik loop er naar toe en kijk omhoog. Zal ik het doen? Misschien een klein stukje. Met twee handen pak ik de ladder vast. Voorzichtig zet ik mijn voeten op de ladder en ga stap voor stap omhoog. Het gaat tergend langzaam. Soms heb ik het gevoel dat ik omhoog ga en de ladder naar beneden. Ik durf niet te kijken. Hoger en hoger klim ik tot ik eindelijk het uiteinde van de ladder in mijn handen hou. Ik heb mijn ogen dicht en bedenk op wat voor een onmogelijke hoogte ik nu moet staan. Met een oog kijk ik heel vlug naar beneden. Mijn mond valt open. Ik sta niet hoger dan vijftig centimeter van de grond. Mijn handen houden niet het uiteinde van een ladder vast, ze hebben de rugleuning van een houten keukenstoel vast en mijn voeten staan op de rieten zitting. Ik stap van de stoel en kijk om me heen. Dan zie ik hoe er uit de stoel twijgen groeien waaraan knoppen verschijnen.

Ik verlaat de plek, ik moet verder. Misschien vind ik voordat het donker wordt ergens een slaapplek. Overal kom ik vellen papier tegen en bekijk ze. Er staat niet een keer iets opgeschreven. Ik hou ze tegen het licht, er is niets te zien.
Met het vallen van de duisternis krijg ik het idee dat het juist lichter wordt in plaats van donker. Behalve de sterren zijn er aan de hemel ook gaten te zien waaruit stralen licht vallen.
In de stad die ik heb bereikt staan veel mensen druk met elkaar te praten. Er ligt nog geen kind op bed. Enkele mensen houden een vel papier omhoog alsof ze een bijpassend gat zoeken. Ze liggen overal verspreid, in het park, op straat, op de begraafplaats. Een paar kinderen houden het vel papier tegen een grafsteen en wrijven erover met een potlood. Als ze klaar zijn staat de naam van oma en opa erop. In het park liggen er kinderen op hun rug met de armen onder het hoofd. Ze genieten van het zeldzame schouwspel tot ze in slaap vallen.
Ik wandel verder en ga een hoek om, bijna kom ik in botsing met een jonge matroos. Hij rookt een pijp en krijgt onmiddellijk een hoestbui.
‘Neem me niet kwalijk,’ verontschuldig ik mij.
‘Geen probleem,’ kucht hij. ‘Er is niks aan de hand.’
‘Merkwaardig, hè?’ zeg ik. ‘Ik bedoel, al die vellen papier die uit de lucht dwarrelen.’
‘Merkwaardig? Nee, wij zeebonken zijn wel wat gewend. De allereerste keer, ja, toen wel. We lagen afgemeerd in Alexandrië,’ hij lurkt aan zijn pijp. ‘Toen heb ik die vellen papier voor het eerst zien vallen. Toen we op zee voeren ging het gewoon door. De kapitein was er niet blij mee, er plakte er zoveel tegen de stuurhut dat hij niets meer kon zien. Ik moest het opruimen. Later, we waren in Valparaiso aangekomen, was ik er aan gewend geraakt. Nee, het doet me niets meer. Regen. Sneeuw. Papieren. Allemaal hetzelfde.’
‘Heb je gezien of er iets op geschreven stond?’
‘Ja, in het Arabisch, maar toen kon ik dat nog niet lezen.’
‘Nu wel dan? Lees je Arabisch?’
‘Jazeker, ik lees het vloeiend. Later voeren we naar India. In Calcutta heb ik mijn lief op mijn arm laten tatoeëren. Kijk.’ Hij rolt zijn mouw omhoog en draait zijn schouder naar mij toe.
‘Prachtig,’ reageer ik. ‘Wat is haar naam?’
‘Tja, dat weet ik niet, ik moet haar nog tegenkomen.’
‘Je hebt in India zeker ook vellen papier gezien?’
‘Ja, genoeg, maar dat is nog moeilijker te lezen dan Arabisch. Dat zijn geen letters, het is net bami op een stokje.’
‘Je hebt toevallig niet zo’n velletje bewaard?’
‘Nee, ik zou niet weten wat ik ermee moet.’
‘Heb je dan misschien gezien wie het heeft gedaan?’
‘Gedaan? Wat bedoelt u? Regen en sneeuw heeft toch ook niemand gedaan? Voor die informatie kunt u beter de stuurman van De Evenaar opzoeken, die beweert dat hij meer heeft gezien dan wie ook. Hij is nu misschien nog nuchter.’
‘Waar ligt dat schip?’
‘Het laatste schip aan de kade.’

De Evenaar is een oud en roestig schip. Behalve enkele schreeuwende meeuwen, lijkt het schip volkomen uitgestorven. Ik blijf onderaan de toegangsbrug staan en roep hard: ‘Mag ik aan boord komen?!’ Er komt geen reactie. ‘Hallo! Is er iemand?!’ Ik denk erover om een andere keer terug te keren, maar hoor dan op het achterdek iemand zingen. Er verschijnt een kleine dikke man met een koksmuts op zijn hoofd. Hij tilt een emmer over de reling en gooit de inhoud overboord.
‘Hallo!’ roep ik nog eens.
Zijn koksmuts glijdt bijna van zijn hoofd als hij naar beneden kijkt. ‘Wat moet je!’
‘Ik zoek de stuurman.’
‘We leggen aan wal, dan valt er niet te sturen. Hij ligt waarschijnlijk op de bodem van een fles. Ga maar naar De Piepzak.’
‘De wat?’
‘De Piepzak. Je gaat me toch niet vertellen dat je nog nooit in De Piepzak hebt gezeten? Dat is de kroeg.’
‘Hoe heet de stuurman?’
Hij geeft geen antwoord en verdwijnt. Op goed geluk begin ik aan een tocht door de straten in de hoop de kroeg te vinden. Ik kom alleen maar lallende matrozen tegen, en als ze niet dronken zijn spreken ze alleen hun moerstaal. Ik raak verdwaald. Dan hoor ik tot mijn opluchting iemand die mijn taal begrijpt.
‘Als je oud genoeg bent,’ spreekt de vrouw. ‘Dan doe je maar waar je zin in hebt. Zolang jij nog thuis woont luister je naar je moeder. Begrepen? En gooi die smerige stinkpijp weg, groei eerst maar eens een flinke baard.’
Naast de vrouw loopt de matroos waar ik eerder een gesprek mee had. Zijn moeder is een stuk kleiner dan de zeebonk.
‘Ik wil niet dat je in De Piepzak komt. Dat is geen plek voor jou, daar stoppen ze je vol met sterke verhalen en sterke drank. Maak eerst maar je school af, dan kan je daarna van wal gaan zoveel je wilt… wel verdraaid! Wat is dat op je arm? Daar hebben we het toch uitgebreid over gehad? Het valt me mee dat ze kleren aanheeft.’
Dan ziet ze mij staan.
‘Meneer?’
‘Ja?’
‘Zou ik misschien even op uw rug mogen?’
‘Mijn rug? Ach, waarom niet, gaat uw gang maar.’
Ik zak door mijn knieën en de vrouw klimt op mijn rug. Haar linkerarm slaat ze stevig om mijn nek. Met haar vrije hand geeft ze haar zoon een stevige draai om zijn oren.
‘Dankuwel, meneer, dat was al lange tijd nodig.’
Voorzichtig laat ik haar weer afstijgen.
‘Als ik het goed heb begrepen, mevrouw, zat uw zoon in De Piepzak. Waar kan ik die vinden?’
Ze kijkt me afkeurend aan.
‘U hoeft alleen maar de geur van zwavel en het gejammer uit de hel te volgen, dan komt u er vanzelf.’
Voorovergebogen loopt ze weg. ‘Sodom en Gomorra,’ roept ze met gebalde vuist.
De matroos kijkt mij grijnzend aan en wrijft over zijn achterhoofd. ‘Het spijt me,’ zegt hij. ‘Ik kan er ook niks aan doen. U kunt het beste de tweede straat rechts nemen, het kan niet missen.’

Er hangt een doordringende geur van verschaald bier en tabak in de kroeg. Het rumoer is overweldigend. Aan het eind van de bar zit een jonge vrouw haar vingers in het haar te draaien. Ze kijkt me brutaal aan en glimlacht.
‘Zoek je plezier, lekker ding? Of ben je misschien verdwaald?’
Er staat een stevige vrouw naast mij. Met haar hoofd beweegt ze richting de bovenverdieping en met haar vingers maakt ze het gebaar voor geld. Ze grijnst en ontbloot enkele gele tanden.
‘Nee, ik ben op zoek naar de stuurman van De Evenaar. Kent u hem?’
‘Fijn voor meneer,’ reageert ze boos. ‘Ik heb wel wat anders te doen. Wat heb ik daar mee te maken?’
In een hoek achterin de kroeg zit een oude man met een volle baard. Zijn tafel staat van hem afgeschoven om zijn buik voldoende ruimte te geven. Op zijn hoofd staat een pet met een gouden stuurwiel erop. Het sonore stemgeluid van de man dreunt door de hele kroeg. Brallend voert hij het woord maar niemand luistert.
‘En wat zien ik? Buitengaats staat een ladder lijnrecht omhoog. Midden in de golven. Ik zweer jullie dat hij er op de heenweg nog niet stond. Maar…’ Hij drinkt in een teug zijn glas leeg en slaat met zijn vuist op tafel. ‘Luister. Het wordt nog gekker. Met mijn ogen volg ik de ladder naar boven en ontdek ergens halverwege iemand die omhoog klimt… tot hij achter de sterren verdween… denk ik, want dat kon ik niet zien.’
‘En toen?’ vraag ik.
Verbaasd kijkt hij mij met zijn kraaloogjes aan.
‘Toen? Nou, niks, ik denk dat in slaap ben gevallen. Later was ik er van overtuigd dat ik het had gedroomd. Maar dat was dus niet zo. Het hele schip was de volgende ochtend bedekt meet vellen papier.’
‘Maar stond er op een vel ook iets geschreven?’
Hij zwijgt en houdt zijn glas tegen het licht. Het duurt even voordat ik het begrijp en bestel voor ons beide iets te drinken.
‘Geschreven?’ In een keer slaat hij het nieuwe glas bier achterover en veegt met een mouw zijn mond af. ‘Dat weet ik niet, ik ben analfabeet. Dat betekent dat ik niet kan lezen.’
Opnieuw houdt hij zijn lege glas omhoog en kijkt mij er dwars doorheen aan. Ik heb er genoeg van en sta op. Op het moment dat ik de kroeg wil verlaten roept hij mij na: ‘Het was een merkwaardige vent, best wel aardig, maar een beetje… ‘ Met een vinger tikt hij op zijn voorhoofd. ‘Kierewiet. De gekste dingen verkondigde hij.’
Ik keer terug met een glas bier en ga weer zitten.
‘Je hebt hem dus gesproken? Wat zei hij?’
‘Dat weet ik nog precies.’ Hij buigt zich voorover en legt een hand op mijn schouder. ‘Ik ben analfabeet, dat betekent dat ik veel moet onthouden. Hij zei zoiets als… uh… over wat er achter je ligt… ja, dat was het. Hij zei: Vergeet nooit wat er achter je ligt, het kan zomaar gebeuren dat het weer voor je ligt en dan struikel je erover.
Met samengeknepen ogen kijkt hij mij glimlachend aan. ‘Snap jij het?’
‘Ja, nou, ik moet er even over nadenken… ‘
‘Wat zeg je? Je moet iets harder praten. Het is ondertussen een herrie van jewelste!’
‘Ik moet erover nadenken,’ roep ik. ‘Zei hij nog meer?!’
Hij buigt zich weer naar mij toe en blèrt in mijn oor: ‘Nee, dat was het, hij keek niet meer om en klom verder. Het is al vijftig jaar geleden en ik ben het nog altijd niet vergeten. We waren toen onderweg naar Australië en het was mijn allereerste reis.’
‘Australië?’ schreeuw ik. ‘Het lijkt wel of hij overal is geweest. Weet je zeker dat het vijftig jaar geleden is? Ik heb hem volgens mij vandaag gezien, hij zag er fier en patent uit.’
Beledigd kijkt de stuurman mij aan. ‘Of ik het zeker weet? Neem van mij maar aan dat je je allereerste reis nooit zal vergeten. Ik vergeet trouwens nooit iets.’
‘Omdat je analfabeet bent.’
‘Ja, hoe weet je dat?’
Hij legt een hand op mijn schouder. ‘Moet je er een van mij?’
‘Nee, bedankt, ik moet nodig verder.’
‘Doe niet zo ongezellig, man, hier, drink op. ik bestel wel een nieuwe.’ Tegen mijn zin in schuift hij zijn glas in mijn richting. ‘Je valt best wel mee. k dacht, daar heb je weer zo’n kakkerige landrot. Het is lang geleden dat iemand naar mij heeft willen luisteren. Wacht, misschien heb ik toch iets voor je.’
Met twee vingers grabbelt hij een verkreukt stuk papier uit zijn borstzak.
‘Hier, dit vond ik op de kade. Er staat iets op gekrabbeld. Ik dacht, laat ik het maar oprapen, misschien heeft iemand het verloren.’
Verrast pak ik het aan en ik lees:

Gesneden wit
Kilo aardappelen
Boter
Grote bloemkool
Vier braadworsten
Yoghurt
Aardbeien
Karnemelk

‘En? Is het wat?’ vraagt de stuurman.
‘Nee, het is maar een boodschappenlijstje.’
‘Een lijstje? Misschien is het van Bolle Bram, die gebruikt alles, als het maar brandt,’ gaat de stuurman verder. ‘Bram is de stoker van de Stern, hij is al zes weken buitengaats. Over een paar dagen is hij weer terug. Na drieënzestig jaar op de Grote Vaart mag dat wel een keer. Het kan zijn dat hij helemaal niet terugkeert, bedenk ik nu, hij vertelde mij dat hij het niet zitten. De hele dag bij zijn vrouw, zei hij, dat is de hele dag ruzie. Volgens Bram staan niet alleen de beste stuurlui aan wal, zijn Trudie is de beste stoker. Waarom begin ik eigenlijk over Bram… ach, natuurlijk. Bram zegt dat hij die hemelklimmer zestig jaar geleden al is tegengekomen. Dat was bij Malta. Hij zag hem op het eiland Filfla een ladder beklimmen. Die klimmer, beweert hij, heeft toen zijn waarschuwingen in de wind geslagen. Hij stopte een moment met klimmen en schijn te hebben geroepen:
Als ze op je neerkijken kunnen ze niet zien hoe diep ze zijn gevallen, dat zien ze pas als ze tegen je opkijken.
Bram en ik hebben daar een avond over zitten kletsen. Aan het einde van de avond waren we geen steek verder.
De Piepzak is afgeladen vol. De buitendeur zwaait open en er komt een enorme naar adem snakkende vrouw binnen.
‘Olga!’ roepen enkele mannen. Voorovergebogen met haar handen steunend op haar knieën komt ze op adem. Haar borsten nemen uitbundig deel aan het herstel. Als ze weer op krachten is, komt ze overeind en duwt iedereen uit de weg.
‘Kopfen dicht!’ roept ze hard. ‘De maan ist weg, ze haben die maan gestohlen!’
Samen met een paar dronkaards loop ik naar buiten. De frisse lucht doet me goed.
‘Geen maan?’ vraagt de stuurman die naast mij is komen staan. ‘Blijft het dan altijd eb, of blijft het vloed?’
‘Geen idee, stuurman, maar ik geloof niet dat de maan weg is, die steek je niet zomaar in je zak. Ik vraag me af waar alle gaten in de hemel zijn gebleven.’
Verbaast kijkt hij mij aan en wijst naar boven. ‘Daar. Die zijn niet weg. Als stuurman ken ik de hemel als geen ander. Zie je ze echt niet?’ Hij legt een arm om mijn schouders. ‘Heb je weleens in de ogen van een pasgeboren baby gekeken? Die komen net van de hemel, als je goed kijkt, maar dan moet je heel snel zijn, zie je dezelfde twinkel in hun ogen als aan de hemel.’
Van de brallende dronkenlap is niet veel meer over.
‘Hier, ik zal het je laten zien.’ Hij trekt mij dicht tegen zich aan. Ik heb moeite om vrij adem te halen. ‘Volg mijn vinger. Zie je dat kleine twinkelende blauwwitte stipje? Dat was eerst een gat in de hemel en is nu een ster. En er staan er nog veel meer. Ik ga naar binnen.’
Met mijn handen in mijn zakken speur ik de hemel af, Ik zie ze nog steeds niet. Pas als ik voorbij de heldere sterren kijk, vallen ze mij op. Er staan er meer dan ik kan tellen. Ze twinkelen in goud of blauw.
Omstanders brullen het uit. Langzaam maar zeker heeft een grote wolk zich verplaatst en de maan komt weer tevoorschijn. Proestend loopt iedereen naar binnen en Olga krijgt een klap op haar kont.

Ik heb niks meer te zoeken in de kroeg. Terwijl de herrie naar buiten dringt loop ik richting het centrum. Na enkele straten kom ik bij een park dat er uitnodigend bij ligt. Het is een oase van rust. De fontein is verfraaid met gestileerde bladeren waarlangs water zijn weg naar beneden zoekt. Het wordt opgevangen in een bassin. Ik neem plaats op een parkbank en sluit een moment mijn ogen. Na een wonderlijke dag, denk ik, volgde een evenzo merkwaardige avond.

Iemand zit te giechelen. Ik schuif een stukje opzij zodat ik om de fontein heen kan kijken. Aan de andere kant zie ik een jongen en een meisje zitten. Hij heeft iets in zijn handen en vouwt het uit, schuchter duwt hij het in de handen van het meisje. Ze kijkt ernaar en slaat een hand aan haar mond. Driftig begint ze haar tas te doorzoeken. Ongeduldig draait ze de tas op zijn kop waarop alles eruit valt. Eindelijk ziet ze waar ze naar op zoek was, het ligt op de grond. Ze geeft het aan de jongen. Ze vliegen elkaar om de nek en kussen hartstochtelijk. Ik voel mij opeens een indringer en schuif voorzichtig terug. Ik wil niet storen. Tevergeefs.
Met half dichtgeknepen ogen kijk ik in het licht van een koplamp. De idylle wordt in stukken gescheurd door het geluid van een naderende scooter. Met een hand voor mijn ogen weer ik het licht af. Het is een pizzakoerier en hij komt recht op mij af. Op het laatste moment knijpt hij in de remmen en slipt de scooter vlak voor mijn neus tot stilstand. Met bravoure opent hij het vizier van zijn helm, pakt een pizza en komt naar mij toegelopen.
‘Bent u Reinhardt?’ Hij biedt mij niet de kans om te kunnen antwoorden. ‘Ik heb een Pizza Quatro Stagioni voor u. Is betaald. Smakelijk eten.’
‘Betaald? Wacht eens even, ik heb niks besteld.’
‘Dat weet ik, dat heeft hij gedaan.’ Hij draait zich om en wijst omhoog. Ik zie de hemelklimmer bovenaan zijn ladder staan. Hij wuift en klimt verder omhoog.
De pizza smaakt heerlijk.
‘Goeieavond,’ zegt het verliefde stel dat mij voorbijgaat. ‘Smakelijk eten.’
‘Jullie hebben zeker geen honger?’ vraag ik met mijn mond vol en hou de doos omhoog. ‘Hij is een beetje te groot voor mij alleen.’
Vriendelijk schudden ze hun hoofd. ‘Nee, erg vriendelijk van u, maar wij zijn al vol van onszelf,’ giechelt het meisje terwijl ze naar de jongen kijkt. Dan kijkt ze vol verbazing in de doos.
‘Maar… heeft u dat niet gezien?’ Ze wijst naar de doos in mijn handen.
‘Wat bedoelt u?’
‘Daar! Onderin de doos. U heeft er ook een gekregen.’
Op de bodem van de doos, onder de laatste drie punten, ligt een opgevouwen velletje papier. Het is een beetje vlekkerig vanwege de olie. Voorzichtig trek ik het onder de pizza vandaan en vouw het open. Ik lees: Gwendelyn.
De naam zegt me niets en toch heb ik het gevoel dat ik een winnend lot in mijn handen heb.
Ik ga op de bank liggen. Het was mijn bedoeling om mijn hoofd leeg te maken, het loopt nu over vanwege de meest wonderlijke gedachten. ‘Gwendelyn’ zeg ik, alsof het uitspreken van de naam haar tastbaarder maakt. Ik vouw het velletje papier nog eens uit en hou het tegen het maanlicht. De hele dag komt keer op keer in detail voorbij.

In de ochtend open ik mijn ogen en besef dat ik in het park in slaap ben gevallen. Onmiddellijk dringt haar naam weer door. Gwendelyn. Ik sta direct op en voel in mijn zakken. Het was geen droom, het vel papier heb ik in mijn hand.
Het is schitterend weer. Ik scheer en was mij bij de fontein. Er is geen tijd te verspelen, ik wil zo snel mogelijk op weg. Er staat iets moois te gebeuren. Waar of wanneer weet ik niet, maar ik voel het.
De stad ligt ver achter mij. Mijn ontbijt pluk ik uit een boom. Het sap van de peer loopt langs mijn arm. Bij een andere boom pluk ik een appel. Ik passeer de ene na de andere boomgaard.

Ik speel al enige tijd niet meer met de gedachte dat ik haar ga ontmoeten. Het is zo erg dat de gedachten met mij spelen. Met enige vertraging merk ik op dat ik ergens aan voorbij moet zijn gelopen. Ik keer me om en loop een stuk terug.
Aan de rand van de weg staat in een boomgaard een troosteloze boom. In zijn kale takken hangen delen van een roestig harnas. De wind beweegt de delen af en toe tegen elkaar waardoor er een blikken geluid is te horen. Enkele meters verder staat een ladder tegen een boom. Er staat iemand op, wie weet ik niet, ik zie alleen maar benen.
‘U heeft zeker geen last van lastige vogels?’ roep ik. ‘De bomen zijn in ieder geval goed met appels behangen.’
Verbaasd kijkt de boer mij vanonder een tak aan. hij stopt een moment met kauwen en spuugt een straal tabakssap op de grond. ‘Vijftienhonderdzesendertig appels,’ mompelt hij en verdwijnt weer met zijn hoofd tussen de bladeren. Even later komt hij naar beneden met een appel in zijn hand. Met een zachte doek poetst hij de appel glimmend en legt hem bedachtzaam in de mand aan zijn schouder.
‘Zo’n vogelverschrikker heb ik niet eerder gezien. Waar heeft u die vandaan?’
De boer zet de man op de grond en loopt naar mij toe. ‘Als jij zo doorgaat hoor ik straks niks meer, je kletst me de oren van het hoofd. Maar als je het zo graag wilt weten, dat is mijn eigen oude harnas. Lang geleden heb ik het aan de boom gehangen.’ Met twee handen houdt hij zijn bretel vast en spuugt nog eens op de grond.
‘Bent u een ridder? Bestaan die dan nog?’
‘Nee, niet meer, ik was de laatste. Toen ik merkte dat er geen slagveld meer te vinden was, ben ik ermee gestopt. Trouwens, had ik wel een slagveld gevonden, dan was ik toch de andere kant opgegaan. Dood is dood, daar is geen eer aan te behalen, ik ben niet gek.’
‘Dat begrijp ik niet,’ merk ik brutaal op. ‘Als u een ridder bent, dan bent u toch bijzonder dapper? Niemand kan zomaar ridder worden, dat wordt je pas als je eerst je moed hebt betoond. Er bestaan geen laffe ridders.’
Het gezicht van de boer wordt zo rood als zijn appels.
‘Ach, kijk eens aan, meneer heeft er verstand van. Dus ik ben een laffe ridder? Nog nooit hebben er laffe ridders bestaan, meneer, er bestaan hooguit domme prinsesjes die vergeten zijn de ophaalbrug te laten zakken.’ Hij spuugt de tabakspruim op de grond en loopt naar de kale boom waar hij een zwaard uit de grond trekt.
‘Maar dart zei ik toch,’ reageer ik geschrokken. ‘Er bestaan geen laffe ridders… wat een mooi zwaard. Nieuw?’
‘Stainless steel,’ reageert de boer en spuugt een fluim op het zwaard om het daarna met een zachte doek op te poetsen.
‘Wat zegt u? Stainless steel?’
‘Dit is het zwaard dat mij lang geleden is toegezonden door een lady uit Engeland. Er zat ook nog een brief bij.’
Opeens begint de boer met een bekakte stem te praten. ‘Het is uw ridderlijke plicht om mij zo spoedig mogelijk en onvoorwaardelijk te komen redden.’ Daarna spreekt hij op normale toon verder. ‘Dat durfde dat mens mij te schrijven. Kouwe kak. Ik laat me nergens toe dwingen. Nee, ik heb niets gedaan. Als ik iets moet doen, dan doe ik het spontaan, dan heeft het tenminste waarde… ‘
Er valt een lange stilte. Hij zucht diep. ‘Toch vraag ik mij nog altijd af, hoe het met haar zal zijn… nou ja, ik heb er een mooi zwaard aan overgehouden. Kopen?’
‘Dat zou ik graag willen, maar ik denk niet dat ik voldoende geld bij me heb. Kan ik pinnen?’
‘Geld. Geld. Ruil het gewoon met iets anders. Alles is goed.’
Lange tijd denk ik na, veel van waarde heb ik niet bij me. ‘Ik weet het,’ roep ik enthousiast.

ik weet zeker dat ik je ga ontmoeten
dan schuiven ze de planten opzij
trekken gordijnen naar beneden
gooien de vitrage op een hoop
dan staat de hemel voor het raam

‘Tja,’ zegt de boer. ‘Dat is wel erg magertjes. Heb je niks beters? Anders steek ik het zwaard maar weer in de grond.’
Dit keer neem ik de tijd en denk nog langer na.

pas daarna bedenkt de man
dat hij nog lang genoeg heeft
tot hij onverwacht doodgaat
van liefde
zijn graf draagt nu drie kruisjes
xxx

De boer keert snel zijn rug naar mij toe en pakt een zakdoek. Voordat hij zijn neus snuit dept hij eerst zijn gezicht droog.
‘Mij best, het zwaard is van jou,’ snottert hij. ‘Neem het harnas ook maar mee, ik ben toch van plan de boom vol te hangen met vellen papier. Dan wordt het een stuk rustiger.. Haal het maar uit de boom, dan haal ik ondertussen een oliespuit.’
Het kost me weinig moeite om het uit de boom te krijgen. Het touw is zo oud dat ik het met gemak los kan trekken. Ik behandel de scharnieren met olie en vet de riempjes in. Voorzichtig trek ik het harnas aan. Het zwaard steek ik in de schede aan mijn riem.
‘Nou komt eerst nog het allerbelangrijkste,’ zegt de boer. ‘Ik moet je tot ridder slaan. Kniel neer.’
Met veel roestig gekraak kniel ik op een been. De boer legt het zwaard op mijn linkerschouder.
‘Uit naam van de gerechtigheid.’ Hij verplaats het zwaard naar mijn rechterschouder. ‘Tot in de dood.’ Het zwaard gaat terug naar de linkerschouder en beweegt rakelings langs mijn oor. ‘Uit naam van echte liefde sla ik u plechtig tot ridder. Vanaf vandaag zal u de naam Sir-Love-A-Lot dragen.’
Nadenkend plaats hij het zwaard met de punt in de grond en rust er met beide handen op.
‘Eigenlijk wil ik je nog iets in je oren knopen. Mocht je een vrouw tegenkomen, ren dan niet weg, sla je slag. Goed beschouwd ben ik altijd mijn eigen slagveld geweest. Ik was mijn eigen vijand. Ik heb er nu spijt van dat ik mij nooit aan de liefde heb overgegeven. Vergeet dit nooit. Je moet mij beloven dat je, wanneer je voor een gesloten ophaalbrug komt te staan, dat je wacht en meerdere keren per dag haar naam roept.’ Opnieuw haalt hij een zakdoek uit zijn zak en snuit zijn neus. ‘Nou, opgehoepeld, ik heb nog genoeg te plukken. Vijftienhonderdvijfendertig om precies te zijn. Sir-love-a-lot, ga uw draken ontmoeten. Veel geluk!’

Ik heb geen tijd om achterom te kijken en ben druk in de weer met het zwaard. Na de vijfde poging lukt het eindelijk om het zwaard in de schede te steken. Piepend en krakend vervolg ik mijn weg. Er is nog geen uur voorbij of de weg achter mij ligt bezaaid met onderdelen van het harnas. Alleen het zwaard hangt nog aan mijn riem.

De weg die ik volg eindigt onaangekondigd onderaan een heuvel. Ik besluit de heuvel te beklimmen om te zien wat er achter ligt. Hoe hoger ik kom, hoe meer er een geparfumeerde geur te ruiken is. Ik ben bijna boven en zie een waarschuwingsbord staan. Ooit is het gifgroen geverfd. Het bladdert lelijk af. De verweerde letters zijn moeilijk te lezen:

LA TSTE KANS!
U KUN  MAAR  ETER GAAN ZITTEN
WANT OVER 500 METE
BEREIK  U DE RAND VA  DE WERELD!

Ik ga gewoon door. Niet wegrennen, zei de boer, je slag slaan. Wie weet, misschien is er aan de rand van de wereld een ophaalbrug. Toch is er voor terugkeren ook iets te zeggen. Nee! Het zal wel meevallen. Doorgaan! Misschien val ik over de rand in de vergetelheid. Misschien loop ik een verrassing mis. Misschien, misschien… een ridder gaat door tot het bittere einde.

Bovenop de heuvel is de geur bijzonder sterk. Het ruikt er heerlijk. Dan ontdek ik de oorzaak. In een wijds groen landschap staan verspreid en zo ver ik kan zien keukenstoelen in bloei. Overal vliegen er vlinders.
Wandelend tussen de stoelen ontdek ik een klein bord met de aanduiding 400m. Even later zie ik een nog kleiner bord met 330m. Mijn hart klopt in mijn keel. Voorbij het allerkleinste bordje met daarop 200m, hoor ik in de verte een regelmatig monotoon geluid. Angstig loop ik verder. Ik begin te vermoeden dat de rand van de wereld niet ver meer zal zijn. Tot overmaat van ramp, kom ik erachter dat ik het bordje met 100m heb gemist. Ik kies voor zekerheid. Bij de volgende stap stamp ik eerst stevig met een voet op de grond, ongeveer zoals je het eerste ijs betreedt, bang er door te zakken. Zo doe ik dat bij iedere stap die ik nog moet zetten.
Het vreemde geluid wordt alsmaar duidelijker. Het komt uit een rozenstruik met zwarte rozen. Met geheven zwaard loop ik aarzelend naar de struik. Ik ontdek niks, de begroeiing is te dicht. Met mijn zwaard kap ik takken weg en zie een witte vleugelpiano. Met mijn mouw veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Het trieste geluid wordt hoorbaar begeleid door de aanslag van een pianotoets. Met mijn handen duw ik takken opzij en ontdek een vrouw. Haar zwarte haren zitten verstrikt in de struik. Ze is zo wit als een porseleinen pop. Met een vinger slaat ze voortdurend dezelfde toets aan en ze fluistert:
Black roses in dying shadows… Black roses dying… Black roses…
Ze komt zwak over. Roekeloos kap ik verder. Ik heb haast. Ze moet bevrijdt worden. Er dringen doornen in haar huid. Bloed druppelt op de zwarte rozen.
Het is net alsof iedere tak die ik wegneem weer aangroeit. Ik hoor haar niet meer. Ze heeft de ogen gesloten. Verwoed blijf ik kappen en eindelijk ontstaat er ruimte.
Ze richt langzaam haar hoofd op en likt aan haar wijsvinger. Bladmuziek wordt omgeslagen. Ze begint met twee handen te spelen. Ondertussen slaat ze een volgende bladzijde om. Er ontsnapt iets uit het boek, het dwarrelt door de lucht. Voluit begint ze te zingen:

black roses withered
like all lost memories
breaking the surface of life
grasping for may I be someone
someone to love

Het is een vel papier. Als een gek ren ik er achteraan en spring omhoog. Mis! Uiteindelijk red ik het met moeite van de wind.
Wil ik het wel lezen? Als er nou een andere naam op staat? Misschien heeft zij ook een andere naam… ik sta hier op het randje van de wereld. Als ik het niet lees, zal ik het nooit weten. Misschien moet ik het toch lezen. Misschien, misschien… daar ga ik weer. Dat er iets op moet staan, dat is zeker, waarom bewaar je het anders? Kom op, vandaag ontmoet ik mijn draak!
Haar zingen klinkt alsmaar vrolijker en levendiger. Ik kijk haar aan en ontdek een voorzichtige glimlach. Ik werp een vlugge blik op het vel papier, ik kan mijn geluk niet op: Reinhardt.
Dan is zij Gwendelyn, dat moet wel, geen twijfel mogelijk. Of misschien toch? Ik loop naar haar toe en geef haar mijn vel papier. Ze leest het en reageert niet. Op haar gemak sluit ze de klep van de piano. Met haar handen op de rug komt ze voor mij staan en neemt mij brutaal van top tot teen op.
Dus toch, denk ik, ze is het niet. Het is een vergissing.
Langzaam groeit er een brede glimlach op haar gezicht. Alsof het is afgesproken vallen we elkaar om de nek en kussen alsof we van breekbaar kristal zijn.

Hand en hand laten we alles achter ons en hebben niet in de gaten dat we naar de rand van de wereld lopen. We hebben alleen maar aandacht voor elkaar. Tenslotte is de wereld rond. Iemand passeert ons met een ladder en we hebben het niet in de gaten.
‘Nou,’ zegt een vriendelijk lachende man. ‘Dat was op het randje, hè?’
Pas veel later dringen zijn woorden tot mij door, net als het besef dat hij een ladder meedroeg.
‘Dat was de hemelklimmer,’ zeg ik. ‘ik mag hem wel bedanken.’ Hij is nergens meer te ontdekken.
‘Kijk!’ roept Gwendelyn. terwijl ze omhoog wijst.
Door het wolkendek breekt een straal licht door. Anders dan zonlicht, dat vaak breed uitwaaiert, valt dit licht recht naar beneden. Het valt uit een gat in de hemel dat veel groter is dan alle eerder geziene gaten.
‘Weet je wat ik denk, Gwen? Volgens mij is hij vergeten de deur achter zich dicht te doen.’
Ik zet mijn handen aan mijn mond en wil roepen. Ze trekt snel mijn handen weg.
‘Niet doen! Dat kunnen we beter zo laten, daar wordt de wereld alleen maar beter van… kijk!’
Vanuit enorme hoogte zien we een velletje papier naar beneden dwarrelen. Eerst dreigt het de verkeerde kant op te gaan, maar als het lager en lager dwarrelt komt het onze kant op. Enthousiast rent Gwendelyn ernaartoe. Ze springt omhoog, rent er verder achteraan en springt nog eens. Dan grist ze het uit de lucht.
‘En? Wat staat er te lezen?’ vraag ik ongeduldig.
‘Ja, rustig, mag ik even… ‘ Eerst leest ze het zelf. ‘Zie je wel! Hij schrijft… ‘

Beste Sir Love-A-Lot en majesteitelijke Gwendelyn,
De deur staat altijd open.
Veel geluk.
De Hemelklimmer

 

Nog langer

John D. Muller View All →

Schrijver van korte verhalen. Soms iets langer. Soms iets anders.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: